Niet voor verwezenlijking deel Tante Agaath-lening terecht op nihil gesteld
Een vader verstrekt in 2010 een zogenaamde Tanta Agaath-lening aan zijn zoon. Onder voorwaarden kan de kwijtschelding van zo’n lening, die voor 1 januari 2011 is verstrekt, een persoonsgebonden aftrekpost opleveren. Daarvoor is vereist dat ten tijde van de kwijtschelding de lening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. Of dat het geval is, wordt op verzoek door de inspecteur bij beschikking vastgesteld.
De inspecteur stelt het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening dat niet meer voor verwezenlijking vatbaar is vast op nihil. De vader is het er niet mee eens dat de kwijtschelding nu geen persoonsgebonden aftrekpost oplevert. Volgens hem eiste de bank dat hij zijn lening aan zijn zoon zou kwijtschelden. Als dit niet gebeurde, zou de bank de financiering stopzetten. Het is volgens hem aan de inspecteur om aan te geven dat en waarom op het moment van de kwijtschelding nog wel verhaal mogelijk was.
De rechtbank overweegt dat de vader verzoekt om een voor hem gunstige regeling. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt daarom mee dat op de vader de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de lening op het moment van het kwijtschelden niet meer voor verwezenlijking vatbaar was. De omstandigheid dat de onderneming van de zoon na de start in 2010 een moeilijke (opstart)periode heeft gekend waarin verliezen werden gemaakt, is op zichzelf niet voldoende. Ook een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur zou tot het oordeel moeten zijn gekomen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden.
In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit volgt dat de vader onderzoek heeft gedaan naar de winstprognose van de onderneming van zijn zoon en/of naar de verhaalsmogelijkheden op privé vermogensbestanddelen en toekomstige inkomensbestanddelen van de zoon. Een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur zou een dergelijk onderzoek wel hebben verricht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de lening op het moment van kwijtschelden niet meer voor verwezenlijking vatbaar was.